Uitspraak
Datum uitspraak: 16 april 2021
BESTUURSRECHTSPRAAK
voorzitter
griffier
Raad van State
De vreemdeling, afkomstig uit Marokko, heeft een minderjarige dochter met de Nederlandse nationaliteit en verblijft sinds 2014 in Nederland. Na het overlijden van haar Nederlandse partner in 2019 werd haar aanvraag voor een verblijfsdocument als familielid van een Unieburger door de staatssecretaris afgewezen. De vreemdeling betoogde dat haar Spaans verblijfsrecht was geëindigd en dat weigering van verblijf in Nederland zou leiden tot vertrek uit de EU.
De Raad voor de Rechtspraak overwoog dat het aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat het verblijfsrecht in Spanje is beëindigd en dat haar dochter anders de EU zou moeten verlaten. De rechtbank had geoordeeld dat de vreemdeling dit niet had aangetoond, mede omdat zij pas in 2018 in de Nederlandse basisregistratie personen werd opgenomen en tussen mei en september 2019 als niet-ingezetene stond geregistreerd vanwege verblijf in Spanje.
De Raad stelde vast dat de vreemdeling onvoldoende concrete gegevens had verstrekt om het beëindigen van het Spaans verblijfsrecht aannemelijk te maken. Ook het argument dat zij sinds het overlijden van haar partner als enige ouder voor haar dochter zorgt, leidde niet tot een andere uitkomst. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde daarom het vonnis van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de afwijzing van het verblijfsrecht van de vreemdeling.