Eisers hebben in kort geding gevorderd dat de Staat en de Commissieleden worden bevolen de handelsvergunningen van de COVID-19-vaccins van BioNTech/Pfizer, Moderna, AstraZeneca en Janssen te schorsen en de adviezen van de Gezondheidsraad hierover in te trekken of te herzien. Eisers stellen dat de adviezen onrechtmatig, onethisch en immoreel zijn en dat het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) moet ingrijpen vanwege gezondheidsrisico's.
De voorzieningenrechter beoordeelde eerst de ontvankelijkheid van eisers, waarbij werd vastgesteld dat twee eisers met ideële doelen de vorderingen mochten instellen en voldeden aan de vereisten voor collectieve acties. Vervolgens werd inhoudelijk geoordeeld dat eisers geen belang hadden bij een toetsing van de adviezen in kort geding, omdat deze adviezen onderdeel zijn van een complex medisch en ethisch dossier dat niet in kort geding kan worden beoordeeld.
De vordering tot schorsing van de handelsvergunningen werd afgewezen omdat deze vergunningen door de Europese Commissie zijn verleend en niet door het CBG of de Staat kunnen worden geschorst. Ook werd overwogen dat de adviezen door de Gezondheidsraad als college worden uitgebracht, zodat individuele commissieleden niet persoonlijk kunnen worden aangesproken.
De rechtbank concludeerde dat de vorderingen niet toewijsbaar zijn en veroordeelde eisers hoofdelijk in de proceskosten. Het vonnis werd uitgesproken door mr. T.F. Hesselink op 29 november 2021.