ECLI:NL:RBDHA:2021:13011
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen intrekking verblijfsvergunning wegens ontbreken daadwerkelijke zorgtaken
Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, kreeg in 2016 een verblijfsvergunning voor verblijf bij zijn toenmalige echtgenote. Na hun echtscheiding in 2019 trok de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid zijn verblijfsvergunning met terugwerkende kracht in, omdat eiser niet langer aan de voorwaarden voldeed. Eiser voerde aan dat hij ondanks psychische problematiek invulling gaf aan zijn vaderschap en dat het contact met zijn dochter werd gefrustreerd door de moeder.
De rechtbank oordeelde dat eiser geen objectief bewijs had geleverd van daadwerkelijke zorgtaken of co-ouderschap, en dat de marginale zorgtaken niet aan hem konden worden toegerekend. Ook was er geen sprake van een zodanige afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en zijn dochter dat zij gedwongen zou zijn de EU te verlaten bij weigering van het verblijfsrecht.
Verder concludeerde de rechtbank dat het gezinsleven ook vanuit Marokko met moderne communicatiemiddelen kan worden voortgezet en dat het beroep op het IVRK niet slaagt vanwege het ontbreken van deskundige onderbouwing van ontwikkelingsschade. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.