ECLI:NL:RBDHA:2021:13293
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen feitelijke Dublinoverdracht naar Roemenië
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de voorgenomen feitelijke overdracht aan Roemenië op 10 december 2021 en verzocht om een voorlopige voorziening die de overdracht zou verbieden totdat op het bezwaar is beslist. De voorzieningenrechter stelt vast dat aan de formele vereisten voor het treffen van een voorlopige voorziening is voldaan, waaronder het spoedeisend belang.
De voorzieningenrechter beoordeelt dat het bezwaar zich beperkt tot de wijze van uitvoering van de uitzetting en dat nieuwe feiten en omstandigheden moeten worden aangevoerd om de rechtmatigheid van de overdracht aan te tasten. Verzoeker heeft geen nieuwe feiten aangevoerd die de rechtmatigheid van de voorgenomen overdracht betwisten.
De voorzieningenrechter verwijst naar eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak waarin de overdrachtstermijn door een voorlopige voorziening was geschorst tot aan de uitspraak in hoger beroep. Nu het hoger beroep ongegrond is verklaard en de schorsing daarmee is opgeheven, is de overdrachtstermijn niet verstreken en is de voorgenomen overdracht rechtmatig.
Ook de prejudiciële vraag van de Afdeling aan het Hof van Justitie over de opschorting van de overdrachtstermijn tijdens hoger beroep leidt niet tot een andere uitkomst. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om de overdracht op te schorten totdat het Hof van Justitie uitspraak doet.
Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de voorgenomen feitelijke overdracht aan Roemenië is afgewezen.