Uitspraak
Datum uitspraak: 1 september 2021
BESTUURSRECHTSPRAAK
griffier
Raad van State
In drie zaken hebben vreemdelingen in Nederland verzoeken om internationale bescherming ingediend, waarbij de staatssecretaris Italië en Roemenië als verantwoordelijke lidstaten aanmerkte en de verzoeken niet in behandeling nam. De rechtbanken vernietigden deze besluiten, onder meer wegens motiveringsgebreken en het verstrijken van de overdrachtstermijn. De staatssecretaris stelde hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om voorlopige voorzieningen die de overdrachtstermijn opschorten.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overweegt dat de Dublinverordening een snelle vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat beoogt, maar ook rechtsbescherming voor vreemdelingen waarborgt. De Afdeling acht het goed voorstelbaar dat ook in hoger beroep een voorlopige voorziening kan leiden tot opschorting van de overdrachtstermijn, ook op verzoek van de staatssecretaris, om zinloos hoger beroep te voorkomen.
De Afdeling constateert dat de Dublinverordening geen termijn stelt voor het uitoefenen van het recht op rechtsmiddelen en dat de opschorting van de overdrachtstermijn ook langer kan duren dan de in de verordening genoemde termijnen. De Afdeling verzoekt het Hof van Justitie om prejudiciële uitspraak over de vraag of de artikelen 27, derde lid, en 29 van de Dublinverordening zich verzetten tegen het Nederlandse systeem waarbij een voorlopige voorziening in hoger beroep leidt tot opschorting van de overdrachtstermijn.
De behandeling van de hoger beroepen wordt geschorst totdat het Hof van Justitie uitspraak heeft gedaan. De Afdeling benadrukt dat deze vraag van groot belang is voor de rechtsbescherming van vreemdelingen en de uitvoering van de Dublinverordening in Nederland.
Uitkomst: De behandeling van de hoger beroepen is geschorst in afwachting van prejudiciële uitspraak van het Hof van Justitie over de opschorting van de overdrachtstermijn.