ECLI:NL:RBDHA:2021:13491
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening intrekking bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Verzoekster kreeg per 1 maart 2019 een bijstandsuitkering toegekend als alleenstaande, waarbij de kostendelersnorm werd toegepast omdat zij samenwoonde met haar broer en zus. Na een melding startte de afdeling handhaving een onderzoek naar een vermoedelijke gezamenlijke huishouding met de heer A. Dit onderzoek bestond uit administratief onderzoek, bankafschriften, waarnemingen, een huisbezoek en een hoorzitting.
De gemeente stelde dat verzoekster vanaf 19 juni 2019 tot 8 september 2021 een gezamenlijke huishouding voerde met de heer A zonder dit te melden, waardoor zij haar inlichtingenplicht schond. Dit leidde tot intrekking van de bijstandsuitkering per 9 september 2021, herziening van de uitkering over de genoemde periode en terugvordering van €17.153,31.
Verzoekster betwistte het bestaan van een gezamenlijke huishouding en de schending van haar inlichtingenplicht. De voorzieningenrechter oordeelde dat de gemeente voldoende aannemelijk had gemaakt dat de heer A zijn hoofdverblijf bij verzoekster had en dat er sprake was van wederzijdse zorg, onder meer door het huisbezoek, bankafschriften en verklaringen over gezamenlijke kosten en zorg voor kinderen.
Daarmee was voldaan aan de voorwaarden voor intrekking van de uitkering. Omdat verzoekster per 9 september 2021 geen recht meer had op bijstand, was er geen spoedeisend belang voor een voorlopige voorziening. Het verzoek werd daarom afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de bijstandsuitkering wordt afgewezen.