ECLI:NL:RBDHA:2021:13649
Rechtbank Den Haag
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen kennelijk ongegrond verklaard beroep op Dublinverordening afgewezen
Opposante heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarin werd geoordeeld dat Denemarken verantwoordelijk is voor de behandeling van haar asielaanvraag op grond van de Dublinverordening. De rechtbank verklaarde dit beroep zonder zitting kennelijk ongegrond, waarna opposante verzet instelde.
In het verzet betoogde opposante dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten onrechte werd toegepast, omdat er een reëel risico op indirect refoulement bestaat in Denemarken, mede vanwege verschillen in het beleid ten aanzien van Syrië en aanwijzingen dat Denemarken internationale verplichtingen niet nakomt.
De rechtbank oordeelde echter dat de aangevoerde argumenten onvoldoende aanleiding geven om het eerdere oordeel te herzien. Het overgelegde bewijs toont aan dat Denemarken momenteel geen gedwongen uitzettingen naar Syrië uitvoert en dat opposante de mogelijkheid heeft om een asielaanvraag in te dienen. Daarnaast is het finale oordeel over mogelijke schendingen van artikel 3 EVRM Pro aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
Daarom blijft het eerdere oordeel dat het beroep kennelijk ongegrond is in stand en wordt het verzet ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en de uitspraak dat het beroep kennelijk ongegrond is, blijft in stand.