Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[verzoekster] , geboren op [geboortedatum] 1966, verzoekster 1, [verzoekster] , geboren op [geboortedatum] 1990, verzoekster 2,
beiden van Syrische nationaliteit,
tezamen aan te duiden als: verzoeksters,
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
16. België, Zweden, Noorwegen en Nederland hebben gezamenlijk het ambtsbericht inzake Libië van 19 december 2014 opgesteld. België kwalificeert de feitelijke situatie in Libië mede op basis van dit ambtsbericht als een situatie bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Zweden heeft een aantal kuststeden aangewezen als gebied waar een situatie bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Noorwegen had een besluit- en vertrekmoratorium ingesteld, dat is opgeheven op 15 september 2015. De Noorse IND (UNE) houdt thans de situatie in Libië nauwlettend in de gaten en maakt een individuele beoordeling van de kwestie van de terugkeer van elk individueel geval. Nederland stelt zich blijkens de beleidsbrief van 16 januari 2015 op het standpunt dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. (…).
17. Gelet op de verschillende kwalificaties die bovengenoemde landen hebben gegeven aan de feiten zoals neergelegd in het gezamenlijk ambtsbericht heeft deze rechtbank, zittingsplaats 'sHertogenbosch, bij tussenuitspraak van 21 juli 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:8479) en (eind)uitspraak van 24 november 2015 (rechtsoverweging 30-37, ECLI:NL:RBDHA:2015:13445) en herhaald bij uitspraak van 4 december 2015 (ECLI:NL:RBDHA:13909), geoordeeld dat een nadere motivering is vereist in de situatie waarin de toepasselijke normen zijn geharmoniseerd en er een gezamenlijk ambtsbericht is uitgebracht, maar de betrokken lidstaten een verschillende juridische kwalificatie aan de feiten in dat ambtsbericht geven.
Verweerder merkt op zichzelf terecht op dat hij, evenals de andere landen waarmee het gezamenlijk ambtsbericht is opgesteld een zekere beoordelingsruimte en beleidsvrijheid heeft. Verweerder heeft wellicht ook niet de mogelijkheid om in Europees verband gezamenlijk beleid af te dwingen. Echter, Unierechtelijke harmonisatie impliceert – in beginsel – dezelfde juridische kwalificatie op basis van dezelfde informatie. Voor alle lidstaten geldt dat dit beleid wordt vastgesteld op basis van het gezamenlijk vastgestelde kader in de Definitierichtlijn. (…) In het geval van een gezamenlijk met andere lidstaten opgesteld ambtsbericht én afwijkende juridische duiding door die lidstaten lijkt het erop dat de lidstaten verschillend toepassing geven aan artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, hetgeen in het licht van Unierechtelijke harmonisatie onwenselijk is. Daarbij is het, anders dan verweerder meent, op voorhand niet waarschijnlijk dat dit verschil wordt veroorzaakt doordat de andere lidstaten beogen een nationale verruiming toe te passen met gunstiger normen dan waarin de Definitierichtlijn voorziet. De rechtbank betrekt hierbij de actuele migratiestroom en de veranderende houding van en in lidstaten over migranten. Zoals overwogen in de uitspraken van 21 juli 2015 en 24 november 2015 is de rechtbank van oordeel dat, zonder inzicht in waarom de andere lidstaten de feiten in hetzelfde ambtsbericht anders duiden, aan verweerders besluitvorming een motiveringsgebrek kleeft. Dat verweerder de reden van ruimhartiger verlenen van subsidiaire bescherming door de overige drie lidstaten – kennelijk – niet relevant acht, acht de rechtbank voorts onbegrijpelijk, omdat de huidige situatie meebrengt dat een vreemdeling in de ene lidstaat wel bescherming krijgt en in de andere lidstaat niet, wat niet alleen onwenselijk is uit oogpunt van de al genoemde harmonisatie maar bovendien de effectiviteit van andere Europese regelgeving, zoals de Dublinregeling, ondergraaft.
inhoudelijk besluitop een asielaanvraag de omstandigheid dat lidstaten een verschillend niveau in bescherming bieden doordat lidstaten de algehele veiligheidssituatie, hoewel gebaseerd op hetzelfde Unierechtelijke en Verdragsrechtelijke juridische kader, anders beoordelen en een ander risico op terugkeer naar een derde land aannemen niet relevant acht.
Beslissing
- wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening toe;
- verbiedt verweerder om verzoeksters over te dragen aan Denemarken totdat op de beroepen is beslist;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 748,-.