ECLI:NL:RBDHA:2021:13707

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 november 2021
Publicatiedatum
13 december 2021
Zaaknummer
SGR 21/2081
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:15 AwbArt. 6:20 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep niet tijdig beslissen en doorzending beroep als bezwaar

Eiser diende op 17 juni 2020 een klacht in bij verweerder over vermeende schending van de AVG door de Belastingdienst. Na ingebrekestelling op 22 december 2020 stelde eiser beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Verweerder kende een dwangsom toe en nam op 25 maart 2021 alsnog een besluit.

De rechtbank oordeelt dat het belang van eiser bij het beroep tegen het niet tijdig beslissen is komen te vervallen, waardoor dit beroep niet-ontvankelijk is. Het beroep tegen het besluit van 25 maart 2021 wordt op grond van artikel 6:20, lid 4, Awb doorverwezen naar verweerder voor behandeling als bezwaar, omdat het een primair besluit betreft.

Eiser had geen geldige reden om de bezwaarprocedure over te slaan, anders dan wantrouwen jegens verweerder. De rechtbank draagt verweerder op het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden en wijst proceskostenveroordeling af. Tegen de doorzending is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 25 maart 2021 is doorverwezen naar verweerder voor behandeling als bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 21/2081

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 november 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] (Frankrijk), eiser

en

Autoriteit Persoonsgegevens, verweerder

(gemachtigde: mr. T.G.H. Spruyt).

Procesverloop

Op 17 juni 2020 heeft eiser een klacht bij verweerder ingediend en verzocht om maatregelen tegen de Belastingdienst te nemen omdat de Belastingdienst de Algemene verordening gegevensbescherming schendt.
Op 22 december 2020 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld.
Bij brief van 25 februari 2021 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder.
Bij besluit van 8 maart 2021 heeft verweerder aan eiser een dwangsom voor het niet tijdig beslissen toegekend.
Op 25 maart 2021 heeft verweerder naar aanleiding van de klacht van eiser alsnog een besluit genomen.
Verweerder heeft op 29 maart 2021 een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 23 mei 2021 heeft eiser aangegeven dat hij het beroep wil voortzetten tegen het besluit van 25 maart 2021.
Bij brief van 24 juni 2021 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en medegedeeld dat hij nog een verweerschrift zal indienen.
Bij brief van 26 juli 2021 heeft verweerder de rechtbank verzocht om het beroep voor zover het betrekking heeft op het besluit van 25 maart 2021, op grond van artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) naar verweerder te verwijzen voor behandeling als bezwaar.
Bij brief van 11 augustus 2021 heeft eiser aangegeven het niet eens te zijn met het verzoek van verweerder van 26 juli 2021. Eiser heeft de rechtbank verzocht om het beroep verder te behandelen en als derde belanghebbende bij het beroep de minister voor Rechtsbescherming en de Raad van State te betrekken.
Bij brief van 26 augustus 2021 heeft de rechtbank eiser medegedeeld dat het Ministerie van Financiën vooralsnog niet als belanghebbende bij deze procedure wordt betrokken en dat de rechtbank geen aanleiding ziet om het verzoek van eiser om de minister voor Rechtsbescherming en de Raad van State als belanghebbende bij deze procedure te betrekken, in te willigen.
Bij brief van 13 september 2021 heeft eiser de volledige rechtbank Den Haag, afdeling bestuursrecht en alle rechters die daar werkzaam zijn, gewraakt.
Bij beslissing van 29 september 2021 heeft de Wrakingskamer van rechtbank Den Haag het wrakingsverzoek van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
De bestuursrechter heeft de behandeling van het beroep voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek.

Overwegingen

1. Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Awb maakt dat mogelijk.
2. Verweerder heeft tijdens de beroepsprocedure alsnog een besluit op de klacht van 17 juni 2020 genomen en aan eiser (bij separaat besluit) de maximale dwangsom voor niet tijdig beslissen toegekend. Hierdoor is het belang van eiser bij een uitspraak op het beroep niet tijdig beslissen komen te ontvallen. Het beroep niet tijdig beslissen is wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk.
3. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het beroep niet tijdig beslissen mede betrekking op het alsnog genomen besluit van 25 maart 2021. Op grond van het vierde lid van artikel 6:20 van Pro de Awb kan de rechtbank het beroep dat tegen het besluit van 25 maart 2021 is gericht, verwijzen naar verweerder, omdat het besluit van 25 maart 2021 een primair besluit is waartegen een bezwaarschrift kon worden ingediend. De rechtbank maakt doorgaans gebruik van de haar op grond van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb toekomende bevoegdheid, omdat het voeren van een bezwaarschriftprocedure tegen een (reëel) primair besluit het uitgangspunt van de Awb [1] is. De rechtbank ziet ook in deze zaak aanleiding om dit artikellid toe te passen, nu de inhoudelijke standpunten van de partijen nog onvoldoende tussen de partijen zijn besproken en verweerder naar aanleiding van de beroepsgronden, die eiser tegen het besluit van 25 maart 2021 heeft ingediend, heeft aangegeven meerwaarde in een bezwaarschriftprocedure te zien. Eiser heeft geen geldige reden, anders dan dat hij verweerder wantrouwt, aangevoerd waarom de bezwaarschriftprocedure tegen het besluit van 25 maart 2021 zou moeten worden overgeslagen.
4. Gezien het vorenstaande zal de rechtbank het beroepschrift, voor zover het tegen het besluit van 25 maart 2021 is gericht, dan ook in lijn met het voornoemde uitgangspunt als bezwaarschrift doorzenden aan verweerder ingevolge artikel 6:15 van Pro de Awb. Nu dit beroepschrift reeds in bezit is van verweerder zal de rechtbank dit niet opnieuw toezenden en volstaan met deze mededeling. De rechtbank wijst er voor de volledigheid op dat tegen deze doorzending geen rechtsmiddel kan worden aangewend zodat daartegen niet kan worden opgekomen in verzet.
4. Omdat eiser, zoals verweerder ook heeft erkend, terecht beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de klacht van 17 juni 2020, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht dient te vergoeden.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank
- verklaart het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
- verwijst het beroep tegen het besluit van 25 maart 2021 naar verweerder ter behandeling
als bezwaar;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 181,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van
mr. I.N. Powell, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 november 2021.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 7:1, eerste lid, van de Awb. Zie ook ECLI:NL:RVS:2010:BO2903, r.o. 2.3.