Eiser heeft beroep ingesteld tegen een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van de Vreemdelingenwet 2000, waarbij hij betoogt dat er geen zicht is op uitzetting naar Marokko binnen een redelijke termijn vanwege de sluiting van het Marokkaanse luchtruim door de coronapandemie.
Verweerder stelt dat de luchtruimsluiting slechts een tijdelijke belemmering vormt en dat uitzetting binnen een redelijke termijn nog mogelijk is. De rechtbank sluit aan bij eerdere jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter die de luchtruimsluiting als tijdelijk beschouwde.
De rechtbank oordeelt dat ook nu de luchtruimsluiting als tijdelijke belemmering moet worden gezien en dat er geen voldoende aanwijzingen zijn dat de situatie zodanig lang zal duren dat uitzetting niet binnen een redelijke termijn kan plaatsvinden. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.