ECLI:NL:RBDHA:2021:14110

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 december 2021
Publicatiedatum
21 december 2021
Zaaknummer
NL21.16076
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 3 EVRMDublin-verdragEuropese asielrichtlijnen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Denemarken

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Denemarken verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming. De rechtbank heeft het beroep samen met een vergelijkbare zaak behandeld en eiser is verschenen met zijn gemachtigde, terwijl verweerder niet aanwezig was.

De rechtbank stelt vast dat Denemarken inderdaad verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek van eiser en dat de Deense autoriteiten hebben toegezegd het verzoek in behandeling te nemen. Verweerder heeft gemotiveerd betoogd dat er geen beletselen zijn om eiser over te dragen en dat de Deense autoriteiten de Europese asielrichtlijnen en verdragsrechtelijke verplichtingen naleven. Eiser heeft dit niet aannemelijk gemaakt met documenten.

Daarnaast heeft eiser zijn eerdere ervaringen in Denemarken aangevoerd, waaronder de intrekking van zijn verblijfsvergunning en verblijf in een opvangkamp met beperkte voorzieningen, maar dit leidt volgens de rechtbank niet tot de conclusie dat Denemarken zijn internationale verplichtingen heeft geschonden. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat het voor hem onmogelijk of zinloos was om bij de Deense autoriteiten te klagen.

De rechtbank concludeert dat de aangevoerde omstandigheden onvoldoende zijn om te verhinderen dat eiser aan Denemarken wordt overgedragen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.16076
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser

V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. P.H. van Akenborgh),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 oktober 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling genomen op de grond dat Denemarken verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL21.16077, op 2 december 2021 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Gorges. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

Niet in geschil is dat Denemarken verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van eiser. Met de aanvaarding van het terugnameverzoek hebben de Deense autoriteiten toegezegd om het asielverzoek van eiser in behandeling te nemen.
Verweerder heeft gemotiveerd uiteengezet dat er geen beletselen zijn om eiser over te dragen. Verweerder stelt daarbij terecht dat er van uit mag worden gegaan dat de Deense autoriteiten bij de behandeling van eisers asielverzoek de Europese asielrichtlijnen en verdragsrechtelijke verplichtingen in acht nemen en dat, mochten zij daarin onverhoopt tekortschieten, eiser daarover in Denemarken kan klagen. Eiser heeft het tegendeel niet met documenten aannemelijk gemaakt.
Ook heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat eisers eerdere ervaringen in Denemarken niet tot een andere conclusie leiden.
De enkele omstandigheid dat eisers verblijfsvergunning is ingetrokken en dat het hem niet is gelukt om opnieuw een verblijfsvergunning te krijgen in Denemarken betekent nog niet dat Denemarken in strijd met zijn internationale verplichtingen heeft gehandeld.
Met de enkele opmerking in het aanvullend beroepschrift dat hij na de intrekking van zijn eerdere verblijfsvergunning is gehuisvest in een opvangkamp met beperkte voorzieningen en een streng regime, heeft eiser evenmin onderbouwd dat zijn rechten in Denemarken zijn geschonden.
Eiser heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat het voor hem niet mogelijk is geweest of zinloos om bij de Deense autoriteiten te klagen over de in zijn ogen onterechte intrekking van zijn verblijfsvergunning en zijn verblijf daarna in het opvangkamp.
Eiser stelt dat hij vanwege zijn psychische toestand direct na het incident dat tot de intrekking van de verblijfsvergunning heeft geleid niet in staat was om voor zijn rechten op te komen. Eiser heeft echter nog drie jaar in Denemarken doorgebracht. Verder heeft hij verklaard dat hij contact heeft gehad met vluchtelingenorganisaties en met meerdere advocaten. Dat hun inschatting was dat eiser geen redelijke kans op succes had, betekent niet dat de Deense autoriteiten hun internationale verplichtingen jegens eiser niet zijn nagekomen.
Dat er in Denemarken in de afgelopen jaren sprake is van een verharding van het politieke klimaat voor wat betreft immigratie, betekent nog niet dat in het algemeen moet worden aangenomen dat de Deense autoriteiten zich niet langer houden aan hun internationale verplichtingen jegens vreemdelingen. In ieder geval is tot op heden niet gebleken dat Denemarken Syrische asielzoekers in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM [1] uitzet naar hun land van herkomst, zoals eiser stelt te vrezen. De enkele omstandigheid dat eiser in bewaring zou hebben gezeten met het oog op toekomstige uitzetting is onvoldoende om een schending van artikel 3 aan Pro te nemen.
9. Voor zover eiser ter zitting nog heeft opgemerkt dat de Deense autoriteiten zich bemoeien met de opvoeding van migrantenkinderen, geldt dat dit voor eiser niet relevant is omdat hij geen kinderen heeft. Zijn opmerking dat hij vreest na zijn terugkeer samen met criminelen gedetineerd te worden heeft hij niet onderbouwd.
10. Wat eiser in beroep heeft aangevoerd leidt dus niet tot de conclusie dat eiser niet aan Denemarken kan worden overgedragen en dat verweerder redelijkerwijs gehouden was om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om eisers asielaanvraag inhoudelijk te behandelen.
11. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 december 2021 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. M.Ch. Grazell, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden