ECLI:NL:RBDHA:2021:14457
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielverzoeken wegens ongeloofwaardigheid en achtergehouden motief
Twee Iraakse halfzussen hebben asiel aangevraagd wegens vrees voor eerwraak en huiselijk geweld na een incident waarbij eiseres 1 betrapt werd op een intiem moment met een andere man dan haar echtgenoot. Verweerder heeft hun aanvragen afgewezen omdat het asielrelaas ongeloofwaardig werd bevonden en zij geen overtuigende documenten ter ondersteuning hebben overlegd.
De rechtbank heeft de beroepen behandeld en vastgesteld dat verweerder gemotiveerd is ingegaan op de zienswijzen en dat de tegenstrijdigheden in de verklaringen van de zussen over belangrijke feiten, zoals het moment van ontmoeting en gedragingen van de man in kwestie, de geloofwaardigheid ondermijnen. Ook het ontbreken van een sluitende verklaring over de hulp bij uitreizen en de aard van de relatie met de man versterkt het oordeel van ongeloofwaardigheid.
Daarnaast is een nieuw asielmotief aangevoerd dat betrekking heeft op het verlaten van de echtgenoten zonder uitleg, maar dit motief is niet door verweerder beoordeeld en kan daarom niet in deze procedure worden meegenomen. De rechtbank concludeert dat de zussen niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij in Irak gevaar lopen en verklaart de beroepen ongegrond.
Uitkomst: De beroepen tegen de afwijzing van de asielaanvragen worden ongegrond verklaard vanwege ongeloofwaardigheid en een achtergehouden motief.