ECLI:NL:RBDHA:2021:15092
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. De rechtbank heeft het beroep samen met een vergelijkbare zaak behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet zijn verschenen.
Eiser stelde dat terugzending naar Italië zou leiden tot een schending van artikel 3 EVRM Pro vanwege de slechte opvangomstandigheden en het risico op indirect refoulement. Hij verwees naar het AIDA-rapport en het Salvini-decreet, en voerde aan dat de coronacrisis de overdracht bemoeilijkt. Tevens stelde hij dat zijn kind afhankelijk is van hem, wat een uitzondering zou rechtvaardigen.
De rechtbank overwoog dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten opzichte van Italië blijft gelden, zoals bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De aangevoerde rapporten en persoonlijke omstandigheden bieden onvoldoende grond om hiervan af te wijken. De coronacrisis leidt niet tot een onrechtmatige vaststelling van Italië als verantwoordelijke lidstaat. De afhankelijkheidsrelatie met het kind is niet onderbouwd en voldoet niet aan de voorwaarden van artikel 16 Dublinverordening Pro.
De rechtbank concludeerde dat geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die een uitzondering rechtvaardigen en verklaarde het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid van Italië is ongegrond verklaard.