ECLI:NL:RVS:2019:3672
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H. Sevenster
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vaststelling verantwoordelijkheid lidstaat in terugnameprocedure Dublinverordening
De zaak betreft hoger beroep van zowel de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid als van een vreemdeling tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag inzake de toepassing van de Dublinverordening. De vreemdeling had een asielverzoek ingediend in Nederland nadat zij eerder in Duitsland een verzoek had gedaan. De staatssecretaris weigerde het verzoek in behandeling te nemen en verwees naar Duitsland als verantwoordelijke lidstaat op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening.
De Afdeling heeft het Hof van Justitie om een prejudiciële beslissing gevraagd over de uitleg van de Dublinverordening, met name over de vraag of in terugnamesituaties slechts één lidstaat verantwoordelijk is en of beroep op hoofdstuk III-criteria in de tweede lidstaat mogelijk is. Het Hof heeft geoordeeld dat in terugnamesituaties de tweede lidstaat in beginsel geen beroep op hoofdstuk III-criteria kan doen, tenzij sprake is van een intrekking van het eerste verzoek terwijl de procedure nog niet is afgerond.
De Afdeling heeft vervolgens het hoger beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard omdat zij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Nederland op grond van artikel 9 van Pro de Dublinverordening verantwoordelijk is. Het hoger beroep van de staatssecretaris is gegrond verklaard, waarbij de Afdeling oordeelt dat de staatssecretaris zijn discretionaire bevoegdheid ten aanzien van artikel 17 van Pro de Dublinverordening op juiste wijze heeft uitgeoefend. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep van de vreemdeling wordt alsnog ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het beroep op artikel 9 Dublinverordening afgewezen.