ECLI:NL:RBDHA:2021:15107

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 februari 2021
Publicatiedatum
10 januari 2022
Zaaknummer
NL21.1010
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 VwArt. 15 sub c Richtlijn 2004/83/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielverzoek wegens ongeloofwaardige afwending van de Islam en verwestering

Eiser, van Somalische nationaliteit, diende een asielaanvraag in met het argument dat hij zich had afgewend van de Islam en vanwege zijn verwestering niet veilig terug kon keren naar Somalië. Verweerder wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond omdat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij daadwerkelijk geen moslim meer was en dat hij niet in staat zou zijn zich aan te passen aan de Somalische cultuur.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht het asielrelaas had getoetst aan de werkinstructie voor bekeerlingen en dat het intrekkingsgehoor uit 2017 waarin eiser verklaarde moslim te zijn, niet onzorgvuldig was betrokken. Eiser had geen overtuigend en consistent inzicht gegeven in zijn afwending van de Islam en had onvoldoende verklaard over de gevolgen daarvan.

Daarnaast werd geoordeeld dat verwestering op zichzelf geen grond is voor vluchtelingenstatus tenzij deze voortvloeit uit politieke of godsdienstige overtuigingen met onomkeerbare persoonlijke kenmerken, wat in dit geval niet was aangetoond. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning bevestigd.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt ongegrond verklaard wegens ongeloofwaardige afwending van de Islam en onvoldoende onderbouwing van onmogelijkheid tot aanpassing.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.1010
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. F.W. Verweij), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.H. Metselaar).

Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL21.1011, plaatsgevonden op 11 februari 2021. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Vorige procedures
1. Eiser stelt van Somalische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [1980] . Hij is bij besluit van 16 april 2007 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet (Vw), geldig van 24 oktober 2006 tot 24 oktober 2011. De grond waarop de verblijfsvergunning is verleend is gewijzigd naar artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw omdat in Mogadishu sprake was een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in artikel 15, sub c, van richtlijn 2004/83/EG (de Kwalificatierichtlijn). De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning is vervolgens nog verlengd tot 24 oktober 2016.
2. Eiser heeft op 7 oktober 2016 een aanvraag ingediend tot verlenging van de geldigheidsduur. Naar aanleiding van strafrechtelijke veroordelingen heeft verweerder deze aanvraag afgewezen, de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht vanaf
22 december 2015 ingetrokken en een inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaar. Het beroep dat eiser hiertegen heeft ingesteld is ongegrond verklaard. Het hoger beroep tegen die uitspraak is eveneens ongegrond verklaard bij uitspraak van 16 april 2019. De intrekking
van de vergunning staat daarmee in rechte vast. Op 7 september 2019 heeft eiser vervolgens een nieuwe aanvraag ingediend, maar die is buiten behandeling gesteld. Het beroep daartegen is ongegrond verklaard.
Huidige asielrelaas
3. Eiser heeft vervolgens op 20 januari 2020 onderhavige aanvraag ingediend. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij zich heeft afgewend van de Islam. Hij verwacht problemen als hij terugkeert naar Somalië omdat hij afstand heeft gedaan van de Islam. Daarnaast is eiser verwesterd, hij heeft zijn uiterlijk gewijzigd, spreekt Nederlands en zijn gedrag is veranderd.
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Afwending van de Islam;
Toegedichte afvalligheid;
Verwestering.
In het bestreden besluit heeft verweerder de nationaliteit, identiteit en herkomst en verwestering geloofwaardig geacht. Verweerder heeft niet geloofwaardig geacht dat eiser zich heeft afgewend van de Islam. Daardoor heeft verweerder de toegedichte afvalligheid ook ongeloofwaardig geacht. Verweerder acht het vierde element verwestering wel geloofwaardig, maar daarover overweegt verweerder dat van eiser verwacht mag worden dat hij bij terugkeer zijn best doet om zich aan te passen aan de leefwijze in het land van herkomst. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
Afwending van de Islam
5. Eiser voert aan dat hij afstand heeft genomen van de Islam, maar dat hij daarvóór geen innerlijke overtuiging voor deze religie had. Verweerder heeft zijn asielrelaas ten onrechte getoetst op grond van de werkinstructie voor bekeerlingen. Die werkinstructie is niet van toepassing op hem. Eiser snapt niet dat hij een reden moet aanvoeren waarom hij niet langer een religie volgt terwijl hij zelf nooit heeft gekozen voor deze religie. Hij heeft helder genoeg uitgelegd waarom hij de Islam niet meer volgt. De inhoud naar het gehoor in november 2017 van de intrekkingsprocedure in de Penitentiaire Inrichting Almere (PI) levert geen tegenstrijdigheid op met zijn aanvraag en verklaringen in de onderhavige procedure. Dat hij zich in de PI heeft geïdentificeerd als Islamiet doet niets af aan zijn proces om het aan hem opgelegde geloof van de Islam van zich af te schudden. In de PI kon hij destijds niet anders verklaren uit angst voor represailles tegen zijn afvalligheid. Door het asielrelaas van eiser van zijn eerste asielprocedure buiten beschouwing te laten, maar wel het gehoor in de PI tegen te werpen, heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld. Verder voert eiser aan dat hij wel als afvallig zal worden gezien, gelet op zijn haardracht en kleding.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser een aanvraag heeft ingediend, en daarbij als reden heeft vermeld dat hij niet terug kan naar Somalië omdat hij geen moslim is en omdat hij geen geloof heeft. Ook stelt de rechtbank vast dat eiser in zijn verklaring tijdens het intrekkingsgehoor op 7 november 2017 op de vraag van zijn gemachtigde:
‘Wat is je religie op dit moment?’heeft geantwoord:
‘Islam, moslim. Soms bid ik wel. Normaal gesproken moet een moslim vijf keer per dag bidden. Toen ik nog buiten was, was dat moeilijk voor mij om te doen. Drank is ook verboden in de Islam. Ik begin nu met bidden. Ik wil mijn gebed
gebruiken om mij goed te voelen en geen alcohol te hoeven gebruiken. Gebed en alcohol zijn niet met elkaar te combineren.’1 Daaruit volgt dat eiser in 2017 heeft verklaard moslim te zijn. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt waarom hij op dat moment niet naar waarheid zou hebben kunnen verklaren. In het gehoor tijdens onderhavige procedure heeft eiser verklaard dat hij dit heeft gezegd omdat hij bang was om te zeggen dat hij geen moslim meer was omdat medegevangenen hem fysiek zouden kunnen aanvallen.2 De rechtbank is echter niet gebleken dat hij problemen zou kunnen ondervinden in de PI door het in een beperkte setting van een IND-medewerker en zijn advocaat afleggen van een verklaring dat hij geen moslim meer zou zijn. Verweerder heeft uit kunnen gaan van de verklaring van eiser in 2017 dat hij toen moslim was. Aangezien eiser nu heeft verklaard geen moslim meer te zijn, heeft verweerder het asielrelaas van eiser niet ten onrechte getoetst aan de hand van de Werkinstructie 2019/18 Bekeerlingen. Deze werkinstructie geeft immers handvatten bij het horen en beslissen waarbij een afwending als asielmotief wordt aangevoerd. Anders dan eiser stelt, is het niet onzorgvuldig dat verweerder bij de beoordeling van het asielrelaas van eiser het intrekkingsgehoor van 7 november 2017 heeft betrokken en niet eisers eerste asielaanvraag. Het gaat immers om de asielaanvraag van 20 januari 2020, waarbij is aangegeven dat eiser vanaf 2010 heeft besloten dat hij geen moslim meer is. In dat kader is het intrekkingsgehoor van 2017 van belang.
6.2.
Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht dat eiser geen moslim meer is. Verweerder heeft zich namelijk op het standpunt kunnen stellen dat eiser geen duidelijk inzicht heeft gegeven in zijn proces richting afwending van de Islam. Zo heeft eiser niet eenduidig verklaard over het moment dat hij afstand heeft genomen van de Islam. Tijdens het gehoor heeft hij namelijk verklaard dat het proces van afwending begon in 2010, terwijl hij tijdens het intrekkingsgehoor op 7 november 2017 heeft verklaard dat hij moslim is. Ook heeft eiser tijdens zijn gehoor op de vraag hoe het is gekomen dat eiser in 2010 heeft besloten geen moslim meer wilde zijn, alleen het volgende verklaard:
Ik had toen problemen. Ik had toen te maken met verslaving. ‘Ik bezocht regelmatig kerken en die kerken waren bereid om mij te helpen. Ik kreeg geen hulp van een moskee. En dat is ook de reden geweest om na te denken. Waarom kreeg ik wel hulp vanuit de kerk en niet vanuit de moskee. Wat is eigenlijk het verschil tussen die twee religies. Dit waren allemaal vragen die ik tot stelde.’3 Daarnaast heeft verweerder over de gevolgen van het afkeren van de Islam zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser daarover summier heeft verklaard. Op de vraag wat het met eiser heeft gedaan toen hij afstand had genomen van de Islam heeft eiser immers alleen verklaard:
‘Ik voelde dat ik bevrijd was. Ik zag dat ik vrij was om te kiezen wat ik wil. Om te kiezen hoe ik wil leven. De vrijheid die ik toen ervaren heb, was enorm. Het gaat om de vrijheid. Ik vind vrijheid zeer essentieel, want dat maakt het mogelijk dat je andere religies bestudeert.’4
6.3.
Nu verweerder niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht dat eiser geen moslim meer is, heeft verweerder ook ongeloofwaardig kunnen vinden dat sprake zou zijn van toegedichte afvalligheid.
Verwestering
1. Zie pagina 11 van het intrekkingsgehoor van 7 november 2017.
2 Zie pagina 12 van het gehoor opvolgende aanvraag van 14 januari 2021.
3 Zie pagina 7 van het gehoor opvolgende aanvraag van 14 januari 2021.
4 Zie pagina 10 van het gehoor opvolgende aanvraag van 14 januari 2021.
7. Eiser voert aan dat hij zich niet kan aanpassen aan de Somalische cultuur in geval van terugkeer. Hij is namelijk verwesterd, hij heeft inmiddels rastahaar en draagt andere kleding dan gebruikelijk is in Somalië. Ter zitting heeft eiser verder toegelicht dat hij ook zijn gedrag niet zou kunnen aanpassen.
8. Uit de uitspraak van 21 november 20185 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat het al dan niet door tijdsverloop ontwikkelen van een westerse levensstijl niet tot vluchtelingschap kan leiden. Uitzondering daarop is het geval waarin de vreemdeling aannemelijk maakt dat zijn verwestering voortvloeit uit een politieke of godsdienstige overtuiging en waardoor sprake is van persoonlijke uiterst moeilijk of nagenoeg onmogelijk te veranderen kenmerken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deze uitzondering terecht niet van toepassing geacht op eiser. Eiser heeft geen blijk gegeven van verwestering vanuit een politieke of godsdienstige overtuiging en er is geen sprake van persoonlijke kenmerken die uiterst moeilijk of nagenoeg onmogelijk te veranderen zijn. Daarom heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat van eiser mag worden verwacht dat hij zich kan aanpassen aan de Somalische levensstijl.
Conclusie
9. De aanvraag is, gelet op het voorgaande, terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
18 februari 2021
en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl.
Mr. M. Eversteijn A. Foppen
Rechter Griffier
Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.