ECLI:NL:RBDHA:2021:15180
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens onrechtmatige bewaring en onjuiste staandehouding vreemdeling
Eiser, van Guinese nationaliteit, werd op 31 augustus 2021 onder bewaring gesteld op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen dit besluit en voerde onder meer aan dat hij onterecht en op verkeerde grondslag was staande gehouden, dat geen beëdigde tolk werd ingezet bij het gehoor en dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom geen lichter middel werd toegepast.
De rechtbank stelde vast dat de staandehouding onvoldoende was gemotiveerd en niet kon worden gerechtvaardigd op basis van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf. Ook was onterecht geen beëdigde tolk ingezet, terwijl die beschikbaar was. De bewaring werd daarom onrechtmatig geacht.
Gezien de opeenstapeling van gebreken en de daadwerkelijke belangen van eiser werd de bewaring met ingang van 17 september 2021 opgeheven. Tevens werd een schadevergoeding van €1.830,- toegekend voor de 18 dagen onrechtmatige vrijheidsontneming en werden proceskosten van €1.496,- aan eiser toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de bewaring wordt opgeheven en een schadevergoeding toegekend.