ECLI:NL:RVS:2018:3074
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- A.B.M. Hent
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling in vreemdelingenbewaring onrechtmatig staandegehouden en bewaring vernietigd
De vreemdeling werd op 9 juli 2018 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring ongegrond. De vreemdeling stelde dat het proces-verbaal van aanhouding gebrekkig was en dat er geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf bestond, waardoor de staandehouding en daaropvolgende bewaring onrechtmatig waren.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het dossierstuk dat als proces-verbaal van bevindingen werd aangemerkt niet voldeed aan de vereisten, omdat onder meer de naam van de verbalisant, dagtekening en ondertekening ontbraken. Hierdoor kon niet worden vastgesteld of de staandehouding plaatsvond binnen de bevoegdheden van de Vreemdelingenwet 2000. Dit leidde tot de conclusie dat de staandehouding onrechtmatig was.
Verder oordeelde de Afdeling dat de belangenafweging ten aanzien van de bewaring niet in het voordeel van de staatssecretaris uitviel en dat de maatregel van bewaring niet gerechtvaardigd was. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard en een schadevergoeding toegekend over de periode van de bewaring.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de vreemdeling krijgt een schadevergoeding toegekend wegens onrechtmatige staandehouding en bewaring.