ECLI:NL:RBDHA:2021:15314

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 februari 2021
Publicatiedatum
17 januari 2022
Zaaknummer
NL21.1842
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 KwalificatierichtlijnArt. 3 EVRMArt. 17 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening ongegrond verklaard

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. Eiser stelt dat terugkeer naar Duitsland leidt tot een reëel risico op indirect réfoulement vanwege mogelijke uitzetting naar Iran.

De rechtbank overweegt dat verweerder mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit in zijn situatie niet geldt. Eiser heeft geen objectieve gegevens overgelegd waaruit blijkt dat Duitsland structurele tekortkomingen vertoont in het asiel- en opvangsysteem of dat zijn asielverzoek in Nederland anders zou worden beoordeeld.

De rechtbank acht de aangevoerde omstandigheden niet zodanig bijzonder dat toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening gerechtvaardigd is. Ook het aangevoerde AIDA-rapport en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bieden geen aanleiding tot een ander oordeel.

Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.1842
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. B.A. Palm), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.A.C.M. Prins).

Procesverloop

Bij besluit van 5 februari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van de zaak NL21.1843, plaatsgevonden op 23 februari 2021. De gemachtigde van eiser heeft laten weten dat eiser en hij niet bij de zitting aanwezig zullen zijn. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. De reden daarvoor is dat volgens verweerder op grond van de Dublinverordening Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. De Duitse autoriteiten hebben ingestemd met deze verantwoordelijkheid.
2. Eiser voert aan dat hij bij terugkeer naar Duitsland een reëel en voorzienbaar risico loopt op uitzetting naar Iran en daarom een risico loopt op (indirect) réfoulement. Duitsland handelt, in het licht van het Nederlandse landenbeleid, in strijd met artikel 21, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn. Eiser wijst erop dat in het meest recente Ambtsbericht over Iran en het daaraan voorafgaande Ambtsbericht er van uitgegaan wordt dat politiek actieve [groep] mogelijk als systematisch vervolgde groep of als risicogroep en kwetsbare minderheidsgroep beschouwd kunnen worden terwijl het feit dat eiser tot de [groep] behoort
in Duitsland niet tot afgifte van een verblijfsvergunning heeft geleid. Dat eiser nog een asielaanvraag kan indienen, is slechts een formele mogelijkheid. Daarom kan ten opzichte van Duitsland niet worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel of zou verweerder in ieder geval gebruik moeten maken van de bevoegdheid op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Verweerder had nader moeten motiveren waarom overdracht niet tot indirect réfoulement zal leiden en dit ook na moeten gaan. Eiser wijst in dit verband ook op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 4 november 20201 waarin de ABRvS oordeelt dat een verschil in bescherming tegen réfoulement tussen lidstaten kan leiden tot een tekortkoming. Verder verwijst eiser naar het AIDA-rapport van maart 2019, omdat hieruit blijkt dat er tekortkomingen kleven aan de wijze waarop in Duitsland uitvoering wordt gegeven aan vreemdelingenbewaring en hij bij afwijzing van zijn asielaanvraag in Duitsland of na uitputting van de rechtsmiddelen in het kader van zijn asielprocedure in Duitsland een reëel en voorzienbaar risico loopt in vreemdelingenbewaring te worden geplaatst ter fine van uitzetting. Eiser meent dat de enkele overweging van verweerder in het bestreden besluit dat Duitsland met het claimakkoord nemen garandeert dat eiser conform de verplichtingen uit het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) behandeld zal worden in Duitsland daartoe in elk geval onvoldoende is.
3. De rechtbank overweegt dat verweerder ten opzichte van Duitsland in zijn algemeenheid mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet mag. Eiser is hier niet in geslaagd.
4. Eiser heeft geen informatie overgelegd waaruit blijkt dat sprake is van structurele tekortkomingen in het Duitse asiel- en opvangsysteem. In het gehoor geeft eiser aan dat hij een asielaanvraag heeft kunnen indienen in Duitsland en dat deze ook in behandeling is genomen. Vervolgens heeft hij hier ook beslissing op gekregen, waartegen eiser in beroep is gegaan. Dat hij het niet eens is met deze beslissing, maakt niet dat Duitsland zich niet aan de internationale richtlijnen houdt. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat zijn asielverzoek in Nederland anders zou zijn beoordeeld. Duitsland garandeert verder met het claimakkoord dat een nieuwe asielaanvraag van eiser in behandeling zal worden genomen en dat zijn situatie zal worden beoordeeld in lijn met de verschillende Europese richtlijnen op het gebied van asielrecht. De garantie van de lidstaat om het asielverzoek in behandeling te nemen omvat ook de verantwoordelijkheid dat een eventuele uitzetting niet in strijd met het verbod van réfoulement zal zijn. Dat sprake is van indirect réfoulement omdat eiser vreest dat hij naar zijn land van herkomst zal worden teruggestuurd, volgt de rechtbank dan ook niet. De uitspraak van de ABRvS van 4 november 2020 maakt niet dat anders geconcludeerd zou moeten worden. Dit alleen al omdat, zoals verweerder in het bestreden besluit terecht heeft gesteld, eiser niet met objectieve gegevens heeft vastgesteld dat sprake is van een verschil in beleid tussen Nederland en Duitsland ten aanzien van [groep] uit Iran. Verweerder had daarom ook niet nader hoeven motiveren dat geen sprake is van indirect réfoulement dan hij al heeft gedaan in het bestreden besluit of nader onderzoek hoeven doen.
5. De rechtbank overweegt verder dat eiser met het AIDA-rapport niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van ernstige tekortkomingen in de wijze waarop in Duitsland
uitvoering wordt gegeven aan vreemdelingenbewaring. Uit het rapport volgt dat er diverse waarborgen zijn en dat het ook mogelijk is om beroep aan te tekenen tegen de inbewaringstelling. Daarbij mag verweerder er in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uitgaan dat Duitsland zich aan zijn internationale verplichtingen houdt. Wanneer eiser het met de uitvoering van de vreemdelingenbewaring niet eens is, kan hij hierover kan klagen in Duitsland. Het is niet gebleken dat klagen voor hem onmogelijk of zinloos is.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de omstandigheden van eiser geen aanleiding heeft hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening door de asielaanvraag in behandeling te nemen. De omstandigheden die eiser heeft aangevoerd zijn niet zo bijzonder en individueel dat verweerder een uitzondering had moeten maken. De rechtbank volgt verweerder dan ook dat deze omstandigheden niet zodanig zijn dat overdracht van een onevenredige hardheid zou getuigen.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, rechter, in aanwezigheid van mr. T.R. Oosterhoff-Vos, griffier.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
25 februari 2021
en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
Mr. P.J.M. Mol T.R. Vos
Rechter Griffier
Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.