ECLI:NL:RVS:2020:2592
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van niet-inbehandelingname asielaanvraag wegens toepassing Dublinverordening en beginsel van wederzijds vertrouwen
De vreemdeling uit Eritrea diende een asielaanvraag in Nederland in nadat hij in Zwitserland al een asielaanvraag had gedaan die was afgewezen. De staatssecretaris nam de Nederlandse aanvraag niet in behandeling omdat Zwitserland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. De vreemdeling stelde dat Zwitserland geen adequate bescherming biedt tegen refoulement, omdat illegaal uitreizen uit Eritrea daar niet leidt tot een verblijfsvergunning.
De rechtbank oordeelde dat het verschil in toelatingsbeleid tussen Nederland en Zwitserland niet in strijd is met artikel 3 EVRM Pro, mede gelet op een uitspraak van het Zwitserse Bundesverwaltungsgericht dat gedwongen terugkeer naar Eritrea niet mogelijk is. De vreemdeling klaagde dat deze uitspraak niet was overgelegd en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet zonder meer kan worden aangenomen bij verschillen in toelatingsbeleid.
De Afdeling oordeelde dat Zwitserland op grond van een Overeenkomst met de EU gelijkgesteld is aan een lidstaat voor de toepassing van de Dublinverordening en dat het beginsel van wederzijds vertrouwen ook tussen Nederland en Zwitserland geldt. Het verschil in bescherming tegen refoulement is geen ernstige, op feiten berustende grond om overdracht aan Zwitserland te weigeren. De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de niet-inbehandelingname van de asielaanvraag wordt bevestigd.