ECLI:NL:RBDHA:2021:15426
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen feitelijke uitzetting naar Frankrijk wegens COVID-19 risico's
Verzoeker, van Guinese nationaliteit, maakte bezwaar tegen zijn voorgenomen feitelijke uitzetting naar Frankrijk op 2 februari 2021 en verzocht om een voorlopige voorziening om de uitzetting te voorkomen.
De voorzieningenrechter beoordeelde dat het bezwaar slechts kans van slagen heeft indien nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die de rechtmatigheid van de uitzetting betwijfelen. Verzoeker stelde dat de COVID-19 situatie in Frankrijk, met name de aanwezigheid van de Britse variant en onduidelijkheden over testverplichtingen, een onaanvaardbaar risico vormt en dat hij vreest geen toegang tot opvang te krijgen.
De rechter oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, waardoor de Franse autoriteiten worden geacht passende maatregelen te nemen. Het risico op besmetting in Frankrijk is niet significant hoger dan in Nederland. Ook is niet gebleken dat de opvangsituatie substantieel is verslechterd. Verzoeker kan zijn klachten bij Franse autoriteiten of het EHRM indienen.
Daarom is het bezwaar niet aannemelijk en is de belangenafweging negatief voor verzoeker uitgevallen. Het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de uitzetting naar Frankrijk is afgewezen.