ECLI:NL:RBDHA:2021:15483
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Motiveringsgebrek in weigering WW-uitkering, rechtsgevolgen blijven in stand
Eiser had een vast contract als medewerker casino en meldde zich ziek in januari 2017. Na het bereiken van het einde van de wachttijd in januari 2019 vroeg eiser per 1 april 2019 een WW-uitkering aan, terwijl het dienstverband nog niet was beëindigd. Het UWV weigerde de uitkering toe te kennen omdat eiser volgens hen niet werkloos was, gezien het feit dat hij meer dan 87,5% van zijn loon verdiende en een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd had.
De rechtbank oordeelt dat eiser niet werkloos is in de zin van de Werkloosheidswet omdat hij niet aan het urenverliesvereiste voldoet en beschikbaar is om arbeid te aanvaarden. De enkele stelling dat hij geen loon ontving is onvoldoende om de gegevens van de polisadministratie te weerleggen. Ook is geen sprake van een slapend dienstverband, aangezien eiser daadwerkelijk werkt en salaris ontvangt.
Wel constateert de rechtbank een motiveringsgebrek in het besluit van het UWV omdat niet de juiste criteria van urenverlies en beschikbaarheid zijn toegepast. Hierdoor wordt het beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd. De rechtbank past echter de bestuursrechtelijke finale geschilbeslechting toe en laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat het UWV terecht geen uitkering heeft toegekend.
Tot slot wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiser.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens motiveringsgebrek, het besluit wordt vernietigd maar de rechtsgevolgen blijven in stand.