ECLI:NL:RBDHA:2021:15494
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens niet-aangetoonde identiteit bij nareis Eritrea
Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel nareis bij haar echtgenoot met een verblijfsvergunning asiel. De aanvraag werd aanvankelijk afgewezen en na bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. De rechtbank had eerder geoordeeld dat verweerder onvoldoende onderzoek had gedaan naar het ontbreken van een identiteitsdocument en de overgelegde documenten.
Na nader onderzoek door verweerder, waaronder een documentonderzoek van een kerkelijke huwelijksakte die met grote waarschijnlijkheid niet authentiek bleek, is een schriftelijke hoorzitting gehouden. Referent gaf aan sinds maart 2020 geen contact meer te hebben met eiseres. De rechtbank oordeelt dat verweerder aan zijn onderzoeksplicht heeft voldaan en dat het ontbreken van contact met eiseres dit niet verandert.
De rechtbank gaat niet in op de familierechtelijke relatie omdat de identiteit van eiseres niet is aangetoond. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard wegens niet-aangetoonde identiteit.