ECLI:NL:RVS:2019:576
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- A.B.M. Hent
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende bewijs identiteit
De vreemdeling, met de Eritrese nationaliteit, had een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf bij haar referent, met wie zij kerkelijk gehuwd zou zijn in Eritrea. De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat de vreemdeling haar identiteit niet aannemelijk had gemaakt met officiële documenten en de overgelegde onofficiële documenten onvoldoende bewijs boden.
De rechtbank had het besluit van de staatssecretaris vernietigd en geoordeeld dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom de overgelegde documenten niet voldoende waren en waarom aanvullend onderzoek niet was aangeboden. De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de staatssecretaris terecht had gemotiveerd dat de overgelegde onofficiële documenten, waaronder een vluchtelingenpas en een kopie van een kerkelijke huwelijksakte zonder pasfoto's, niet substantieel bewijs van identiteit vormden. De Afdeling verwierp het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling en vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond en het beroep van de vreemdeling ongegrond. Het besluit van 20 november 2018 werd eveneens vernietigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard en het beroep van de vreemdeling ongegrond; de aanvraag wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van identiteit.