ECLI:NL:RBDHA:2021:15547
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning wegens beëindigde relatie en onvoldoende bijzondere omstandigheden
Eiser, houder van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, kreeg deze vergunning ingetrokken omdat hij niet langer samenwoont met zijn voormalige partner, waardoor hij niet meer aan de voorwaarden voldoet waaronder de vergunning werd verleend.
De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende bijzondere feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die een intrekking zouden moeten verhinderen. De rechtbank stelt vast dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Pro niet leidt tot een schending van het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven, mede omdat eiser geen familie- of gezinsleven meer heeft met de voormalige partner of een ander.
Hoewel eiser wees op zijn integratie in Nederland, het ontbreken van een strafblad en het niet gebruiken van algemene publieke middelen, acht de rechtbank deze omstandigheden niet zwaarwegend genoeg om af te zien van intrekking. Ook het ontbreken van nadere onderbouwing van eventuele terugkeermoeilijkheden naar Ghana speelt mee.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.