ECLI:NL:RBDHA:2018:1683
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens onvoldoende belangenafweging bij afwijzing verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM
Eiser, met een langdurig illegaal verblijf in Nederland dat door de overheid feitelijk werd gefaciliteerd, verzocht om een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM Pro vanwege zijn privéleven en gezinsleven in Nederland.
Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser niet beschikte over een machtiging tot voorlopig verblijf en vond dat geen sprake was van een schending van artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met de sterke binding van eiser met Nederland en het feit dat de overheid geen pogingen had gedaan om eiser uit te zetten.
De rechtbank stelde dat verweerder niet alle relevante feiten en omstandigheden had betrokken in de belangenafweging en onvoldoende had gemotiveerd waarom het belang van de Nederlandse samenleving zwaarder zou wegen dan dat van eiser.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens onvoldoende motivering van de belangenafweging.