Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
,eiser/verzoeker,
de Staatsecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Rechtbank Den Haag
De zaak betreft de intrekking van de verblijfsvergunning van eiser, die op grond van een vermeende schijnrelatie met een referent is ingetrokken. Verweerder baseerde dit op onderzoek van de vreemdelingenpolitie, digitale bronnen en verklaringen van betrokkenen. Eiser betwistte de schijnrelatie en voerde onder meer het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel aan.
De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een schijnrelatie. Dit blijkt onder meer uit verklaringen van buren en familieleden die aangeven dat de referent alleen woont, tegenstrijdige en vage verklaringen van eiser en referent, en een rapport waaruit blijkt dat eiser nog gehuwd is met zijn ex-vrouw. De door eiser overgelegde ongehuwdverklaring werd niet geloofd.
De rechtbank stelt dat de intrekking van de verblijfsvergunning niet in strijd is met artikel 8 EVRM Pro, omdat er geen sprake is van inmenging in het gezinsleven. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wegens schijnrelatie wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.