ECLI:NL:RBDHA:2021:15591
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning langdurig verblijvende kinderen wegens niet voldoen aan mvv-vereiste
Eiser, een Iraaks kind geboren in 2003, vroeg op 25 februari 2019 een verblijfsvergunning aan op grond van de Afsluitingsregeling langdurig verblijvende kinderen. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en geen vrijstelling van dit vereiste werd verleend. Eiser voldeed niet aan de voorwaarde dat hij ten minste vijf jaar in Nederland moest hebben verbleven op de peildatum 29 januari 2019.
Eiser voerde aan dat verweerder ten onrechte geen gebruik had gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid om alsnog een vergunning te verlenen en dat de afwijzing in strijd was met artikel 8 EVRM Pro, artikel 3 EVRM Pro en artikel 3 IVRK Pro. De rechtbank oordeelde dat verweerder een ruime beleidsvrijheid heeft bij de toepassing van de Afsluitingsregeling en dat eiser onvoldoende bijzondere omstandigheden had aangevoerd om van het beleid af te wijken.
Verder concludeerde de rechtbank dat de afwijzing niet in strijd was met het recht op privé-, familie- en gezinsleven, omdat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat het gezinsleven elders niet mogelijk was en dat de sociale en culturele banden inherent waren aan het feitelijk verblijf. Ook was onvoldoende onderbouwd dat de psychische problematiek van de moeder een onoverkomelijk probleem vormde. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.