ECLI:NL:RBDHA:2021:15601
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen intrekking verblijfsvergunning partner wegens beëindiging relatie
Eiseres had een verblijfsvergunning als partner van [A], welke met terugwerkende kracht per 17 oktober 2018 werd ingetrokken nadat [A] had gemeld dat de relatie was verbroken. Eiseres betwistte de datum van beëindiging van de relatie en stelde dat deze pas in december 2018 definitief was.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht uitging van de datum 17 oktober 2018, omdat eiseres geen objectief bewijs had geleverd dat de relatie daarna nog voortduurde. De overgelegde Whatsapp-berichten toonden geen voortzetting van de relatie aan. Daarnaast voldeed eiseres niet aan de vereiste vijf jaar onafgebroken rechtmatig verblijf voorafgaand aan haar aanvraag EU-verblijfsvergunning, mede door eerdere verblijfsgaten en tijdelijke verblijfsvergunningen.
De rechtbank concludeerde dat de intrekking van de verblijfsvergunning terecht was en dat de aanvraag van eiseres terecht was afgewezen. Ook het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning en afwijzing van de aanvraag is ongegrond verklaard.