ECLI:NL:RBDHA:2021:15615
Rechtbank Den Haag
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid maatregel bewaring en Dublinclaim in vreemdelingenzaak
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde dat de maatregel onrechtmatig was omdat zijn Dublinclaim niet naar Duitsland was gestuurd en verweerder onvoldoende voortvarend was in de verwijdering.
De rechtbank stelde vast dat de zware gronden voor bewaring, waaronder het niet op voorgeschreven wijze binnenkomen en het onttrekken aan toezicht, feitelijk juist en voldoende gemotiveerd waren. De Dublinclaimgrond faalde omdat het aan verweerder is welk traject wordt gevolgd en de maatregel was opgelegd nadat de claimmogelijkheid in België was vervallen.
Verder oordeelde de rechtbank dat verweerder voldoende voortvarend had gehandeld door meerdere vertrekgesprekken te voeren en een aanvraag voor laissez-passer bij de Marokkaanse autoriteiten te verzenden. De tijdelijke coronamaatregelen die uitzetting bemoeilijken werden als tijdelijke belemmering gezien, waardoor het zicht op uitzetting niet ontbrak.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd mondeling gedaan op 22 maart 2021.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.