ECLI:NL:RBDHA:2021:15639
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen beëindiging opvang asielzoeker wegens niet-ontvankelijkheid opvolgende asielaanvraag
Verzoeker, afkomstig uit Irak, heeft meerdere asielaanvragen ingediend waarin hij stelde afvallig te zijn van de islam en atheïstisch te zijn geworden. Zijn achtste aanvraag werd niet-ontvankelijk verklaard omdat hij geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd die aanleiding gaven tot herbeoordeling. Verzoeker vroeg om een voorlopige voorziening om de beëindiging van zijn opvang te voorkomen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek niet-ontvankelijk was voor zover het zich richtte tegen de aanzegging van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) om de opvang te verlaten. Voor zover het verzoek inhield dat verzoeker zijn beroep in Nederland mocht afwachten met behoud van opvang, werd dit afgewezen omdat de aangevoerde nieuwe documenten en verklaringen onvoldoende nieuw of overtuigend waren.
De rechtbank stelde dat de politieke overtuiging en verdieping van de atheïstische levensovertuiging niet aannemelijk waren gemaakt en dat de eerdere beoordelingen niet onterecht waren. Er was geen gegronde vrees voor vervolging bij terugkeer. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen en het verzoek om proceskosten werd niet toegewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen beëindiging van de opvang wordt afgewezen wegens gebrek aan nieuwe feiten en niet-ontvankelijkheid.