Uitspraak
Datum uitspraak: 19 december 2019
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
voorzitter griffier
Raad van State
Deze uitspraak betreft hoger beroepen van twee vreemdelingen tegen uitspraken van de rechtbank Den Haag over hun in bewaringstelling na afwijzing van opvolgende aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
De Afdeling bespreekt de rechtsvragen aan de hand van het arrest Gnandi en de beschikking C., J. en S. van het Hof van Justitie van de EU, waarin is geoordeeld dat de rechtsgevolgen van terugkeerbesluiten geschorst moeten worden tijdens de rechtsmiddelentermijn, waardoor bewaring tijdens die termijn niet is toegestaan. De Afdeling verduidelijkt dat deze bescherming geldt voor de hoofdregel dat de rechtsmiddelentermijn mag worden afgewacht, maar niet voor de uitzonderingen die de Procedurerichtlijn en de Nederlandse wetgeving toestaan bij opvolgende aanvragen zonder nieuwe elementen.
De Afdeling bevestigt dat de Nederlandse bepalingen die bepalen dat de rechtsmiddelentermijn bij tweede en derde aanvragen niet mag worden afgewacht, niet in strijd zijn met het verbod van refoulement en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte. Tevens wordt benadrukt dat bij gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig ingestelde beroepen tegen een maatregel van bewaring en een besluit in een 4-weken zaak, de rechtbank de procedures organisatorisch moet afstemmen om het recht op doeltreffende voorziening te waarborgen.
De individuele beroepen van vreemdeling 1 en vreemdeling 2 worden ongegrond verklaard, waarbij wordt vastgesteld dat zij op het moment van bewaring geen rechtmatig verblijf hadden. De Afdeling wijst op de noodzaak van een zorgvuldige procedure en de mogelijkheid voor de rechter om het onderzoek ter zitting te schorsen in afwachting van uitspraak in de asielprocedure.
Tot slot wordt een overgangsperiode tot 1 juli 2020 ingesteld om de rechtbanken organisatorisch voor te bereiden op de afstemming van procedures. De uitspraak bevestigt de uitspraken van de rechtbank en wijst proceskostenvergoedingen af.
Uitkomst: De hoger beroepen worden ongegrond verklaard en de uitspraken van de rechtbank worden bevestigd.