ECLI:NL:RBDHA:2021:15670
Rechtbank Den Haag
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag Soedanese nationaliteit wegens gebrek aan geloofwaardigheid en onvoldoende risico op schending EVRM
Eiser, van Soedanese nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel, welke door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid werd afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser stelde dat hij vanwege het observeren van de voormalig president van Soedan en daaropvolgende bedreigingen door autoriteiten risico liep op schending van artikel 3 EVRM Pro.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij daadwerkelijk problemen ondervond met de Soedanese autoriteiten of dat hij gezocht werd. Het onderzoek van Bureau Documenten wees uit dat oproepen om voor de rechtbank te verschijnen waarschijnlijk niet bevoegd waren opgemaakt. Daarnaast was het vertrek uit Soedan met een geldig paspoort en visum en het niet onverwijld melden in Nederland reden om aan te nemen dat de noodzaak van bescherming ontbrak.
De rechtbank stelde vast dat eiser niet als vluchteling kan worden aangemerkt en dat er geen gegronde vrees is voor schending van artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer. Ook de stelling dat hij zich aan de dienstplicht heeft onttrokken werd niet aannemelijk geacht. Wel werd vastgesteld dat verweerder een procedureel gebrek beging door eiser niet in de gelegenheid te stellen te reageren op het onderzoek van Bureau Documenten, maar dit werd gepasseerd omdat eiser hierdoor niet in zijn belangen is geschaad.
Het beroep werd ongegrond verklaard en verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van eiser ter hoogte van €1.068,-.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser.