ECLI:NL:RBDHA:2021:15703
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens ontbreken procesbelang na vertrek asielzoeker
Verzoeker, van Algerijnse nationaliteit, had een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend die door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid werd afgewezen als kennelijk ongegrond. Tevens werd geen verblijfsvergunning regulier of uitstel van vertrek verleend, en werd een vertrektermijn onthouden, waardoor verzoeker Nederland onmiddellijk moest verlaten. Daarnaast werd een inreisverbod van twee jaar opgelegd.
Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. Tijdens de zitting op 26 april 2021, gehouden in Amersfoort, waren partijen niet aanwezig. De gemachtigde van verzoeker meldde dat hij geen contact meer had met verzoeker en dat post aan verzoeker was geretourneerd met de mededeling dat verzoeker met onbekende bestemming was vertrokken.
De voorzieningenrechter concludeerde dat verzoeker kennelijk geen prijs meer stelt op de aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland en daardoor geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang na vertrek van verzoeker met onbekende bestemming.