Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 april 2021 in de zaak tussen
en [eiseres 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2004, van gestelde Eritrese nationaliteit,eiseres 2, tezamen eiseressen
Rechtbank Den Haag
Eiseressen, van Eritrese nationaliteit, verzochten om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) als familie- of gezinslid bij een referent met een verblijfsvergunning. De aanvraag werd afgewezen omdat zij onvoldoende officiële documenten overlegden om de familierechtelijke relatie aan te tonen. Verweerder stelde dat de overgelegde indicatieve documenten onvoldoende waren en dat geen bewijsnood bestond.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht geen bewijsnood aannam, omdat eiseressen onvoldoende aannemelijk maakten waarom officiële documenten ontbraken, ondanks kennis van het belang daarvan. De overgelegde indicatieve documenten, zoals UNHCR-registraties en doopaktes, waren onvoldoende overtuigend en konden niet leiden tot een positieve beoordeling van de familierechtelijke relatie.
Omdat de identiteit van eiseres 2 en de familierechtelijke relatie niet aannemelijk waren, kon niet worden vastgesteld of artikel 8 EVRM Pro van toepassing was. De rechtbank concludeerde dat het bestreden besluit niet onrechtmatig was en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van de familierechtelijke relatie.