ECLI:NL:RVS:2022:969
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- C.C.W. Lange
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende bewijs familierechtelijke relatie
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 19 maart 2020 de aanvraag van twee Eritrese vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) af. De vreemdelingen wilden verblijven bij hun meerderjarige zoon en broer, die een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft. De staatssecretaris vond dat de vreemdelingen de familierechtelijke relatie niet aannemelijk hadden gemaakt, mede omdat de overgelegde documenten laat waren opgemaakt, op eigen verklaringen waren gebaseerd, tegenstrijdige gegevens bevatten en niet op echtheid konden worden beoordeeld.
De vreemdelingen maakten bezwaar en gingen in beroep bij de rechtbank, die het besluit bevestigde. Vervolgens stelden zij hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze oordeelde dat de staatssecretaris de documenten niet in onderlinge samenhang had beoordeeld en onvoldoende rekening had gehouden met het Algemeen Ambtsbericht Eritrea over de beschikbaarheid van documenten. De staatssecretaris had ook niet gemotiveerd waarom de documenten onvoldoende bewijs zouden vormen.
De Afdeling vernietigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, waarmee de vreemdelingen in hun verzoek werden gevolgd en de afwijzing werd teruggedraaid.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt vernietigd wegens onvoldoende gemotiveerde beoordeling van de familierechtelijke relatie.