ECLI:NL:RBDHA:2021:15717
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielzaak Oekraïense verzoekster
Verzoekster, van Oekraïense nationaliteit, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 9 maart 2021 werd afgewezen als kennelijk ongegrond. Tevens werd geen verblijfsvergunning regulier of uitstel van vertrek verleend, werd een vertrektermijn onthouden en een inreisverbod van twee jaar opgelegd.
Verzoekster stelde beroep in tegen dit besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. De zitting vond plaats op 26 april 2021 te Amersfoort, samen met de behandeling van een gerelateerde zaak. Verzoekster verscheen met gemachtigde en tolk, verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
De voorzieningenrechter overwoog dat aangezien in de hoofdzaak (zaaknummer NL21.3920) reeds een uitspraak was gedaan, een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk was. Daarom werd het verzoek afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd op 30 april 2021 uitgesproken en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is beslist.