ECLI:NL:RBDHA:2021:15760
Rechtbank Den Haag
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM
Eiser, een Liberiaanse nationaliteit, heeft sinds 2014 een Chavez-Vilchez verblijfsrecht als familielid van een EU-burger, waarmee hij bij zijn minderjarige Nederlandse kinderen verblijft. Hij vroeg een wijziging van zijn verblijfsdoel aan naar een zelfstandige verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM Pro, om een sterker verblijfsrecht te verkrijgen.
De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat eiser niet voldeed aan de voorwaarde van minimaal vijf jaar verblijf op een niet-tijdelijke vergunning en omdat er geen sprake zou zijn van een schending van artikel 8 EVRM Pro zolang eiser en zijn kinderen niet gescheiden worden. De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris onvoldoende heeft getoetst aan artikel 8 EVRM Pro en geen belangenafweging heeft gemaakt.
De rechtbank stelt vast dat eiser er belang bij heeft dat de aanvraag wordt getoetst aan artikel 8 EVRM Pro omdat de huidige verblijfsvergunning afgeleid en tijdelijk is, terwijl een vergunning op grond van artikel 8 EVRM Pro een zelfstandig verblijfsrecht zou geven. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens motiveringsgebrek en draagt op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank de staatssecretaris tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiser. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd met opdracht tot hernieuwde besluitvorming.