ECLI:NL:RBDHA:2021:15779
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende onderbouwing bekering en geringe indicaties Hazara-status
Eiser, een Afghaanse Hazara, vroeg asiel aan op grond van zijn bekering tot het christendom en de gegronde vrees voor vervolging als afvallige moslim en als lid van een kwetsbare minderheidsgroep. Verweerder wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond vanwege onvoldoende concrete verklaringen over het bekeringstraject en het ontbreken van voldoende onderbouwing van de gegronde vrees.
Tijdens de zitting stelde eiser dat hij zijn geloofsgroei had toegelicht en dat zijn psychische klachten waren verminderd door zijn bekering. Ook voerde hij aan dat hij als Hazara risico loopt op onmenselijke behandeling, verwijzend naar familieleden die slachtoffer waren van geweld, maar kon dit niet concreet onderbouwen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht had geoordeeld dat eiser onvoldoende inzicht had gegeven in zijn bekering en dat de verklaringen onvoldoende concreet waren. Tevens was er geen sprake van geringe indicaties die een gegronde vrees aannemelijk maken. De rechtbank wees het beroep af en bevestigde dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van de Vreemdelingenwet 2000.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende onderbouwing van bekering en gebrek aan geringe indicaties voor vervolging.