ECLI:NL:RVS:2020:306
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank over afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens ontbreken uitzonderlijke situatie in Ghazni
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 13 juni 2019 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 16 juli 2019 het besluit vernietigde en de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar overwegingen.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad van State overwoog dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat in Ghazni sprake was van een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vreemdelingenwet 2000. Tevens is bevestigd dat het behoren tot de Hazarabevolkingsgroep geen zelfstandige grond vormt voor een uitzonderlijke situatie.
Desondanks leidt dit niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, omdat de staatssecretaris de individuele asielgronden opnieuw moet beoordelen met duidelijke motivering over de rol van het behoren tot de Hazarabevolkingsgroep. Het hoger beroep van de staatssecretaris werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd met verbetering van de motieven. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €525.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd met verbetering van de motivering.