ECLI:NL:RBDHA:2021:15812
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ontbreken meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen moeder en volwassen zoon
Eiseres, een Syrische vrouw, vroeg een machtiging tot voorlopig verblijf aan om als gezinslid bij haar zoon in Nederland te verblijven. Haar zoon heeft een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen omdat er geen beschermenswaardig familie- of gezinsleven werd vastgesteld.
De rechtbank overwoog dat volgens vaste jurisprudentie een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie vereist is tussen een ouder en een meerderjarig kind. De verweerder stelde dat deze relatie ontbrak, onder meer omdat de zoon wisselende verklaringen gaf over hun woonsituatie en eiseres onvoldoende aantoonde dat zij financieel, emotioneel of medisch van haar zoon afhankelijk was. De rechtbank vond de argumenten van verweerder voldoende onderbouwd.
De rechtbank nam mee dat de financiële steun gangbaar was en niet uitzonderlijk, dat emotionele afhankelijkheid niet boven een gebruikelijke ouder-kindrelatie uitstak en dat eiseres ook in Syrië toegang had tot medische en psychische zorg zonder bijzondere afhankelijkheid van haar zoon. Ook de zelfstandigheid van de zoon in Nederland werd meegewogen.
De rechtbank concludeerde dat er geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie bestond en dat het horen van partijen in bezwaar niet noodzakelijk was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand. Een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.