ECLI:NL:RBDHA:2021:15878

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 mei 2021
Publicatiedatum
1 maart 2022
Zaaknummer
NL20.20391
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 62 VreemdelingenwetArt. 66a Vreemdelingenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk tegen terugkeerbesluit en ongegrond tegen inreisverbod

Eiser, van Albanese nationaliteit, kreeg op 19 november 2020 een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar opgelegd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Eiser stelde dat het terugkeerbesluit onrechtmatig was omdat hem ten onrechte geen vertrektermijn was verleend, en dat het inreisverbod onvoldoende was gemotiveerd.

De rechtbank oordeelde dat eiser geen procesbelang meer had bij de beoordeling van het terugkeerbesluit omdat hij op 14 december 2020 al naar Albanië was uitgezet. Daarom werd het beroep tegen het terugkeerbesluit niet-ontvankelijk verklaard.

Ten aanzien van het inreisverbod stelde de rechtbank vast dat dit terecht was opgelegd op grond van artikel 66a van de Vreemdelingenwet, waarbij verweerder voldoende had toegelicht dat voldaan was aan de voorwaarden. Eiser had tijdens de zitting geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die reden zouden geven om af te zien van het inreisverbod of de duur daarvan te verkorten.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen het inreisverbod ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter G.P. Loman en griffier R.P. Stehouwer op 27 mei 2021.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit is niet-ontvankelijk en het beroep tegen het inreisverbod ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.20391
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. P.E.J.M. Bartels),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.C. van Ossenbruggen).

Procesverloop

Bij besluit van 19 november 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2021. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Albanese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1997.
2. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder een terugkeerbesluit tegen eiser uitgevaardigd en medegedeeld dat hij de Europese Unie onmiddellijk dient te verlaten, en een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet.
Ten aanzien van het terugkeerbesluit
3. Eiser voert aan dat het terugkeerbesluit niet in stand kan blijven, omdat de specifieke wettelijke bepaling waarop is gebaseerd dat aan eiser geen vertrektermijn is verleend ontbreekt. Eiser mocht er daarom van uitgaan dat op hem de hoofdregel van artikel 62 van Pro de Vreemdelingenwet van toepassing is, te weten dat hij Nederland binnen 4 weken moet verlaten. Verder voert eiser aan dat verweerder ten onrechte geen vertrektermijn aan hem heeft verleend, omdat er geen risico is op onttrekking/onderduiking. Eiser heeft geen
intentie gehad om in Nederland te verblijven. Eiser wilde zo snel mogelijk terugkeren naar familie in Albanië.
4. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiser een procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de gronden van beroep gericht tegen het terugkeerbesluit. Niet in geschil is dat eiser op 14 december 2020 Nederland is uitgezet naar Albanië. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eiser geen procesbelang meer heeft bij een rechtmatigheidstoets van het terugkeerbesluit. Dit beroep is niet-ontvankelijk.
Ten aanzien van het inreisverbod
5. Eiser voert aan dat het inreisverbod onvoldoende is gemotiveerd, omdat het inreisverbod is gebaseerd op het feit dat aan hem geen vertrektermijn is verleend en, zoals eerder door eiser is aangevoerd, daarbij de verwijzing naar de specifieke wettelijke bepaling ontbreekt. Verder voert eiser aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de bijzondere omstandigheden geen reden zijn om af te zien van het opleggen van een inreisverbod dan wel de duur in te korten op grond van artikel 66a, achtste lid, van de Vreemdelingenwet.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht aan eiser een inreisverbod heeft opgelegd. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het terugkeerbesluit is gebaseerd op artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet. Gelet hierop is aan de voorwaarden voor het opleggen van een inreisverbod als bedoeld in artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet voldaan.
7. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om vanwege bijzondere omstandigheden af te zien van het opleggen van een inreisverbod. Tijdens het gehoor inreisverbod op 19 november 2020 is aan eiser gevraagd of er bijzondere omstandigheden zijn waarom van het opleggen van een inreisverbod moet worden afgezien dan wel de duur daarvan verkort zou moeten worden. Eiser heeft in zijn antwoord daarop geen bijzondere omstandigheden aangedragen. Dit beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit; en
  • verklaart het beroep ongegrond voor zover gericht tegen het inreisverbod .
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P. Stehouwer, griffier.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
27 mei 2021
en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
Mr. G.P. Loman R.P. Stehouwer
Rechter Griffier
Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.