Eiser, van Albanese nationaliteit, kreeg op 19 november 2020 een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar opgelegd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Eiser stelde dat het terugkeerbesluit onrechtmatig was omdat hem ten onrechte geen vertrektermijn was verleend, en dat het inreisverbod onvoldoende was gemotiveerd.
De rechtbank oordeelde dat eiser geen procesbelang meer had bij de beoordeling van het terugkeerbesluit omdat hij op 14 december 2020 al naar Albanië was uitgezet. Daarom werd het beroep tegen het terugkeerbesluit niet-ontvankelijk verklaard.
Ten aanzien van het inreisverbod stelde de rechtbank vast dat dit terecht was opgelegd op grond van artikel 66a van de Vreemdelingenwet, waarbij verweerder voldoende had toegelicht dat voldaan was aan de voorwaarden. Eiser had tijdens de zitting geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die reden zouden geven om af te zien van het inreisverbod of de duur daarvan te verkorten.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het inreisverbod ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter G.P. Loman en griffier R.P. Stehouwer op 27 mei 2021.