Eiser is op 18 december 2020 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft tegen het voortduren van deze maatregel beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep beoordeeld zonder zitting en stelt vast dat de maatregel van bewaring eerder rechtmatig is bevonden. De kern van het geschil betreft het ontbreken van redelijk vooruitzicht op verwijdering naar Marokko. Hoewel de Marokkaanse autoriteiten nog geen laissez-passer hebben afgegeven en de grenzen gesloten zijn vanwege coronamaatregelen, is er nog steeds een lopend onderzoek en wordt regelmatig gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten.
De rechtbank benadrukt dat eiser een actieve medewerkingsplicht heeft om zijn uitzetting mogelijk te maken. Eiser heeft aangegeven zo snel mogelijk een afspraak te willen maken voor het verkrijgen van documenten, maar weigert essentiële medewerking te verlenen, zoals het ondertekenen van een brief aan het consulaat. Hierdoor is onvoldoende gebleken dat het redelijk vooruitzicht op verwijdering ontbreekt.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.