ECLI:NL:RBDHA:2021:15936
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen beëindiging Rva-verstrekkingen wegens ontbreken acute medische noodsituatie
Eiser had recht op verstrekkingen op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers (Rva) tot 11 november 2020, vier weken na het einde van zijn rechtmatig verblijf op 14 oktober 2020. Verweerder beëindigde de verstrekkingen met ingang van die datum, omdat geen bijzondere omstandigheden, zoals een acute medische noodsituatie, waren vastgesteld.
Eiser voerde aan dat hij vanwege ernstige nierinsufficiëntie en noodzakelijke dialysebehandelingen drie keer per week een acute medische noodsituatie had. Hij stelde dat het staken van de dialyse binnen twee weken tot overlijden zou leiden. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het beëindigen van de verstrekkingen tot een acute medische noodsituatie zou leiden, mede omdat eiser aanspraak kon maken op voortgaande medisch noodzakelijke zorg buiten de Rva.
De rechtbank volgde het beleid van verweerder dat alleen bij een acute medische noodsituatie, direct gerelateerd aan de bevoegdheden van het COA, verstrekkingen buiten de Rva kunnen worden voortgezet. Omdat eiser niet voldeed aan deze criteria, werd het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot beëindiging van de Rva-verstrekkingen wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.