ECLI:NL:RBDHA:2021:16014
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening bij bezwaar tegen afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) als familie- of gezinslid af te wijzen. Zij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het primaire verzoek om verzoekster te behandelen alsof zij al in het bezit is van een mvv niet kan worden toegewezen, omdat dit een verstrekkende maatregel is die alleen kan worden genomen indien sprake is van een onhoudbare situatie die acuut beëindigd moet worden. Hoewel de gezondheidssituatie ernstig is, is deze niet zodanig dat onmiddellijke toelating noodzakelijk is.
Subsidiair wijst de voorzieningenrechter het verzoek toe om een kortere beslistermijn te stellen voor het bezwaar van verzoekster. Gezien de redelijke kans van slagen van het bezwaar en de medische omstandigheden, wordt de staatssecretaris opgedragen uiterlijk 9 juli 2021 te beslissen op het bezwaar, in plaats van de oorspronkelijk gestelde termijn van 17 september 2021.
Daarnaast wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van verzoekster, welke aan haar gemachtigde moeten worden betaald. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: De staatssecretaris wordt opgedragen uiterlijk 9 juli 2021 te beslissen op het bezwaar en moet griffierecht en proceskosten vergoeden.