Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het verzet van opposanten met Eritrese nationaliteit tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 december 2020, waarin hun verzoek tot vergoeding van proceskosten werd afgewezen. De kosten betroffen rechtsbijstand en een deskundigenrapport van een DNA-onderzoek.
De rechtbank oordeelde dat de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het eerdere besluit van 12 september 2019 niet onrechtmatig had erkend, omdat het besluit op 9 juli 2020 werd ingetrokken en op 11 augustus 2020 werd vervangen door een nieuw besluit gebaseerd op het DNA-onderzoek dat opposanten zelf tijdens de beroepsprocedure hadden ingebracht. Hierdoor kon niet worden geconcludeerd dat het eerdere besluit onjuist was.
Opposanten voerden aan dat het uitvoeren van het DNA-onderzoek een verplichting van de Staatssecretaris was, niet van hen, en wezen op brieven waarop geen reactie was gekomen. De rechtbank verwierp dit standpunt, stellende dat opposanten zelf het DNA-onderzoek hadden laten uitvoeren en dat de Staatssecretaris niet van mening was veranderd dat het aan opposanten was dit onderzoek te laten doen.
De rechtbank concludeerde dat het verzet ongegrond was en handhaafde de eerdere uitspraak. Het verzet werd daarmee afgewezen en de proceskostenvergoeding niet toegekend.