ECLI:NL:RVS:2020:2299
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- A.W.M. Bijloos
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens niet aannemelijke identiteit vreemdelingen
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 6 maart 2018 de aanvragen van twee Eritrese vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdelingen gegrond en vernietigde de besluiten, waarbij zij oordeelde dat de staatssecretaris de documenten die de vreemdelingen in beroep overlegden ten onrechte niet had betrokken en niet aan Bureau Documenten had voorgelegd.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in en betoogde dat de documenten te laat waren overgelegd en dat het niet aannemelijk was dat de vreemdelingen in bewijsnood verkeerden, zodat geen aanvullend onderzoek noodzakelijk was. De Raad van State oordeelde dat het inbrengen van documenten in beroep mogelijk is mits dit niet strijdig is met de goede procesorde. De rechtbank had terecht de documenten betrokken omdat zij een aanvulling vormden op een eerder standpunt.
Echter, de Raad van State stelde vast dat de vreemdelingen geen plausibele verklaring hadden gegeven voor het ontbreken van officiële documenten en dat de identiteit van vreemdeling 1 niet aannemelijk was gemaakt. Ook was een kopie niet op echtheid te onderzoeken en de tegenstrijdige verklaringen vormden een contra-indicatie. Daarom was de staatssecretaris niet verplicht aanvullend onderzoek te verrichten. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep alsnog ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep alsnog ongegrond verklaard.