ECLI:NL:RBDHA:2021:16246

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 juni 2021
Publicatiedatum
4 mei 2022
Zaaknummer
AWB 21/1100 en AWB 21/1101
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 VreemdelingenwetArt. 20 VWEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsrecht als vader van minderjarige kinderen wegens onvoldoende afhankelijkheid

Eiser, een Marokkaanse vader, vroeg een artikel-9 document aan dat rechtmatig verblijf in Nederland als gemeenschapsonderdaan zou aantonen. Dit verzoek werd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen, omdat niet was vastgesteld dat er een zodanige afhankelijkheidsrelatie bestaat tussen eiser en zijn minderjarige kinderen dat zij de EU zouden moeten verlaten bij weigering van het verblijfsrecht.

Eiser stelde dat hij sinds zijn komst in Nederland in 2019 sterk betrokken is bij de opvoeding en verzorging van zijn kinderen en overlegde diverse bewijsstukken, waaronder verklaringen van een huisarts, tandarts, getuigen en een schoolmedewerker. De rechtbank oordeelde echter dat uit deze stukken niet blijkt dat eiser het grootste deel van de zorgtaken op zich neemt of taken verricht die de moeder niet kan doen. Ook is niet aannemelijk dat de affectieve relatie tussen de kinderen en hun moeder onder druk staat.

De rechtbank volgde de staatssecretaris in zijn beoordeling dat de gezamenlijke opvoeding slechts iets meer dan een jaar duurde en dat eiser daarna twee maanden onafgebroken in Marokko verbleef. Dit maakt niet aannemelijk dat de kinderen afhankelijk zijn van de aanwezigheid van eiser in die mate dat zij de EU zouden moeten verlaten. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 21/1100 en AWB 21/1101
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 24 juni 2021 in de zaak tussen
[eiser]eiser/verzoeker
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.M. Walther)
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. van Raak).

Procesverloop

Bij besluit van 5 november 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser/verzoeker (hierna: eiser) om afgifte van een artikel-9 document waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.
Bij besluit van 31 januari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook de echtgenote van eiser is verschenen. Als tolk is verschenen S.L. Matari. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1991 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Hij heeft een artikel-9 document aangevraagd waaruit rechtmatig verblijf blijkt als gemeenschapsonderdaan, als vader van zijn kinderen [A] en [B] . Verweerder heeft eisers aanvraag afgewezen, omdat volgens hem geen sprake is van een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat die kinderen bij verblijfsweigering gedwongen worden om de EU te verlaten.
2. Eiser is het niet eens met het besluit. De rechtbank gaat hierna in op de argumenten die hij aanvoert.
3. Eisers heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het verschuldigde griffierecht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft hij voldoende aangetoond dat hij voldoet aan de voorwaarden voor deze vrijstelling. De rechtbank verleent eiser daarom vrijstelling van de betaling van griffierecht.
4. Eiser betoogt dat hij in de aanvraag- en bezwaarfase diverse bewijzen heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij vóór en na zijn komst naar Nederland in 2019 in sterke mate betrokken was en is bij de opvoeding en verzorging van zijn kinderen. De afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en zijn kinderen is versterkt sinds hij hier is. Uit de stukken blijkt wel dat hij in 2016 en 2017 zijn echtgenote en kinderen financieel heeft ondersteund (overschrijvingsbewijzen van Western Union bank over periode 2016 t/m 2019). Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie kan volgens eiser niet worden afgeleid dat een gezinsband niet kan worden hersteld na een eventuele onderbreking daarvan. In bezwaar heeft eiser een e-mail overgelegd van een docente van de basisschool, waaruit blijkt dat eiser zijn zoon regelmatig van school haalt. De korte en noodzakelijke bezoeken van eiser aan Marokko door het overlijden van zijn vader doen volgens hem aan de afhankelijkheidsband niet af. Eiser verblijft inmiddels 1,5 jaar bij zijn gezin en is bij hen in het Brp ingeschreven. Eiser heeft in beroep nog overgelegd 3 verklaringen van getuigen, een verklaring van een huisarts van 15 maart 2021, een verklaring van een tandarts en een verklaring van een interim begeleider van school van 1 maart 2021.
4.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat een afhankelijkheidsverhouding die nodig is niet aannemelijk is geworden uit hetgeen eiser heeft gesteld en overgelegd.
5.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit het arrest Chavez-Vilchez volgt dat het in beginsel aan de vreemdeling is om de gegevens te verstrekken waaruit blijkt dat hij een verblijfsrecht aan artikel 20 van Pro het VWEU ontleent. Het is vervolgens aan verweerder om op basis van die gegevens te onderzoeken of er al dan niet een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat tussen de vreemdeling en zijn kind, dat bij weigering aan hem een verblijfsrecht toe te kennen, het kind gedwongen zou worden het grondgebied van de Europese Unie te verlaten.
In het arrest komt ook naar voren dat het een criterium van zeer bijzondere aard is. [1]
5.2.
Vast staat dat eiser en de moeder van de kinderen in 2014 zijn getrouwd en dat de kinderen in 2015 en 2017 zijn geboren. Toen woonde en werkte eiser in Marokko en dat is zo gebleven tot december 2019. De kinderen verbleven toen bij de moeder in Nederland en het overgrote deel van de verzorging en opvoeding kwam op haar neer. Uit de foto’s van bezoeken en het overmaken van geld kan geen afhankelijkheid van eiser in vorenbedoelde zin worden afgeleid. Ook overigens is niet gebleken van omstandigheden waaruit dat voor de periode voor december 2019 wel aannemelijk is geworden.
Sinds eiser in Nederland is, verricht hij zorgtaken, zoals blijkt uit de stukken en verklaringen die hij heeft overgelegd. Verweerder heeft zich echter op goede gronden op het standpunt gesteld dat hieruit niet aannemelijk is geworden dat hij het grootste deel voor zijn rekening neemt of taken doet die de moeder niet zou kunnen doen, zoals ophalen van school en bezoek aan huisarts en tandarts. Een afhankelijkheidsrelatie zoals bedoeld in het geldende criterium is hieruit niet af te leiden. Evenmin is gebleken dat de moeder deze taken als voorheen niet (alleen) zou kunnen doen als dat nodig zou zijn en er is evenmin aanleiding om aan te nemen dat de affectieve relatie van de kinderen met de moeder onder druk zou staan.
5.3.
Tot aan het bestreden besluit heeft de gezamenlijke opvoeding iets meer dan 1 jaar geduurd. Vanaf januari 2021 heeft eiser ook nog onafgebroken twee maanden in Marokko verbleven. Verweerder heeft terecht overwogen dat niet is gebleken dat deze afhankelijkheid (sindsdien) alsnog is ontstaan. Niet aannemelijk is gemaakt dat de kinderen, mede gelet op hun leeftijd en ontwikkelingstaken die daarbij hoort, voor hun ontwikkeling afhankelijk zijn van de aanwezigheid van eiser in die zin dat zij de EU zouden moeten verlaten als eiser hier geen afgeleid verblijfsrecht heeft. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat zijn vertrek tot een ontwikkelingsbedreiging zou leiden die de een tegenslag te boven gaat, die te verwachten is als een ouder het gezin fysiek verlaat.
5.4.
Gezien het vorenstaande heeft verweerder op goede gronden geconcludeerd dat eiser niet in aanmerking komt voor vaststelling van rechtmatig verblijf.
5.5.
Ook heeft verweerder terecht afgezien van horen. Gezien het bezwaarschrift en de bijlagen was direct duidelijk dat het bezwaar geen kans van slagen had. Er was evenmin aanleiding om nader onderzoek te doen, omdat er geen aanknopingspunten zijn om bijzondere gehechtheid tussen de kinderen en eiser aan te nemen.
6. Nu de beroepsgronden niet slagen verklaart de rechtbank het beroep ongegrond.
7. Gezien de beslissing in de bodemzaak wijst de voorzieningenrechter het verzoek af.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.P.M. Veerman-Timmer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover het beroep betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1235.