ECLI:NL:RVS:2020:1235
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H. Troostwijk
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Vaststelling toepasselijk beleid bij afwijzing verblijfsrecht voor ouder van Nederlands kind op grond van artikel 20 VWEU
De zaak betreft de afwijzing door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van een aanvraag van een Chinese vreemdeling om een verblijfsdocument als gemeenschapsonderdaan, afgeleid van zijn Nederlandse minderjarige kinderen. De rechtbank had de besluiten op bezwaar vernietigd en de staatssecretaris opgedragen nieuwe besluiten te nemen volgens het beleid dat gold ten tijde van de aanvraag (WBV 2017/9).
De staatssecretaris stelde echter hoger beroep in en betoogde dat het beleid gewijzigd was met WBV 2018/4, waarin zorg- en opvoedingstaken met een marginaal karakter niet langer als daadwerkelijke zorgtaken worden aangemerkt, in lijn met het arrest Chavez-Vilchez van het Hof van Justitie. Dit beleid moest volgens hem worden toegepast bij de beoordeling van de aanvraag.
De Afdeling oordeelt dat artikel 3.103 van het Vreemdelingenbesluit 2000 niet van toepassing is op declaratoire Unierechtelijke verblijfsrechten zoals bedoeld in artikel 20 VWEU Pro. De staatssecretaris is niet verplicht het beleid toe te passen dat gold ten tijde van de aanvraag als dit niet aansluit bij de rechtspraak van het Hof. De Afdeling vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank en het besluit van 4 oktober 2019 en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor herbeoordeling met inachtneming van het beleid in WBV 2018/4.
De uitspraak bevat een uitgebreide motivering over de uitleg van artikel 20 VWEU Pro en de voorwaarden voor het afgeleide verblijfsrecht, waarbij het belang van daadwerkelijke zorgtaken en de afhankelijkheidsverhouding tussen ouder en kind centraal staan. De Afdeling benadrukt dat het beleid moet aansluiten bij de jurisprudentie van het Hof van Justitie en dat marginale zorg- en opvoedingstaken niet voldoende zijn voor het verblijfsrecht.
De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank en het besluit van 4 oktober 2019 worden vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank.