ECLI:NL:RBDHA:2021:16382
Rechtbank Den Haag
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens niet voldoen aan wachttermijn en ontbrekende intentieverklaring TBC
Eiser, een minderjarige van Marokkaanse nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf als gezinslid bij zijn moeder die in Nederland verblijft. De aanvraag werd afgewezen omdat de moeder niet ten minste een jaar rechtmatig in Nederland verbleef, zoals vereist in artikel 3.15 van het Vreemdelingenbesluit 2000, en omdat eiser geen intentieverklaring voor een TBC-onderzoek had overgelegd.
Eiser voerde aan dat de wachttermijn niet toegepast mocht worden vanwege zijn minderjarigheid en dat hij bereid was mee te werken aan een TBC-onderzoek ondanks het ontbreken van de intentieverklaring. De rechtbank oordeelde dat minderjarigheid op zichzelf onvoldoende is om de wachttermijn te negeren en dat het ontbreken van de intentieverklaring juist het gebrek aan bereidheid tot medewerking aan het TBC-onderzoek aantoonde.
Daarnaast werd het beroep op artikel 8 EVRM Pro, dat het recht op gezinsleven beschermt, verworpen omdat verweerder een belangenafweging had gemaakt waarbij het belang van de staat zwaarder woog dan het belang van eiser.
De rechtbank concludeerde dat de afwijzing terecht was en verklaarde het beroep ongegrond. Eiser werd vrijgesteld van griffierecht wegens betalingsonmacht.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.