ECLI:NL:RBDHA:2021:16458
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag op grond van ongeloofwaardige homoseksualiteit en identiteit
Eiser, een Nigeriaanse asielzoeker, vordert een verblijfsvergunning asiel op grond van zijn homoseksualiteit en de vrees voor vervolging in Nigeria. Hij stelt dat hij levend begraven is vanwege zijn geaardheid en vreest een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer.
Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser zijn identiteit niet aannemelijk heeft gemaakt en zijn homoseksualiteit ongeloofwaardig is bevonden. De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht uitgaat van de naam op de eerste visumaanvraag, mede vanwege EUVIS-gegevens die meerdere visumaanvragen onder verschillende namen tonen. Het ontbreken van een geboorteakte is onvoldoende onderbouwd door eiser.
Ten aanzien van de homoseksualiteit heeft verweerder een juist toetsingskader gehanteerd en voldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser, waaronder zijn beperkte cognitieve vermogens en collectivistische cultuur. De rechtbank vindt het ongeloofwaardig dat eiser geen contact heeft gezocht met zijn partner na het incident en dat hij onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn persoonlijke beleving van zijn geaardheid.
De rechtbank concludeert dat verweerder de homoseksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen terecht ongeloofwaardig heeft bevonden. Hierdoor is geen sprake van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de asielaanvraag afgewezen.
Uitkomst: Het beroep op asiel wordt ongegrond verklaard vanwege ongeloofwaardige homoseksuele gerichtheid en onvoldoende onderbouwing van identiteit.